top of page

Van de conservatoire naar de executoriale fase bij aandelenbeslag

Door mr. M.  (Maritza) Bernardt [1]

 

Inleiding

Het Gerechtshof Den Haag[2] oordeelde recentelijk dat een advocaat die een verzoek tot executoriale verkoop van aandelen volgens de rechtbank te laat heeft ingediend, niet aansprakelijk is voor een beroepsfout.  Dat verzoek dient op grond van art. 474g lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv), op straffe van verval van het beslag te worden ingediend binnen een maand nadat het executoriale beslag op de aandelen is gelegd.

In deze zaak was conservatoir beslag gelegd op aandelen. Dat beslag was inmiddels executoriaal geworden. Dit artikel en het genoemde arrest gaan over de vraag wanneer het verzoek tot executoriale verkoop van de aandelen moet worden ingediend indien het conservatoire beslag op aandelen is overgegaan in de executoriale fase.


Wettelijke bepaling

Zolang het conservatoire beslag nog niet executoriaal is geworden, kan nog geen verzoek tot executoriale verkoop van de aandelen worden ingediend. Het conservatoire beslag op aandelen wordt op grond van de algemene bepalingen die gelden voor conservatoire beslagen, executoriaal zodra de beslaglegger in de hoofdzaak een executoriale titel heeft verkregen (die voor tenuitvoerlegging vatbaar is) en de verkregen titel zowel aan de beslagene als aan de vennootschap is betekend.[3]

Bij een executoriaal aandelenbeslag gaat de termijn van een maand voor het indienen van het verzoek tot verkoop direct lopen nadat het beslag is gelegd. Er bestaat echter een speciale regeling voor indiening van een verzoek tot verkoop van aandelen indien daarop conservatoir beslag is gelegd en dat beslag inmiddels executoriaal is geworden.

Art. 715 lid 3 Rv bepaalt dat de termijn voor het indienen van het verzoek tot verkoop pas eindigt een maand na de dag waarop de in kracht van gewijsde gedane executoriale titel aan de vennootschap is betekend. Anders dan de algemene regeling vereist art. 715  Rv geen betekening van een gewone executoriale titel maar van een titel die in kracht van gewijsde is gegaan.


In kracht van gewijsde en voor tenuitvoerlegging vatbaar

Het verschil tussen de artikelen 704 lid 1 en artikel 715 lid 3 Rv zit hierin of de titel voor tenuitvoerlegging vatbaar is of dat de titel in kracht van gewijsde is. Wat betekenen deze begrippen nu?


Voor tenuitvoerlegging vatbaar

Een executoriale titel is voor tenuitvoerlegging vatbaar indien de titel een veroordeling bevat die tenuitvoergelegd kan worden. Indien in de titel de eis onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde is opgenomen dient deze tijd en of voorwaarde te worden afgewacht voordat de titel voor tenuitvoerlegging vatbaar is.


In kracht van gewijsde

Een executoriale titel is in kracht van gewijsde gegaan als het niet meer met een gewoon rechtsmiddel – verzet, hoger beroep, cassatie of revisie – kan worden aangetast.[4] Zodra de termijn voor het indienen van een gewoon rechtsmiddel (ongebruikt) is verstreken, gaat de titel in kracht van gewijsde.


Bedoeling van de wetgever

De bedoeling van de wetgever blijkt veelal uit de Parlementaire geschiedenis. De Memorie van toelichting[5] bij invoering van de invoeringswet Boeken 3-6 Nieuw B.W. wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zegt daarover het volgende:


Het derde lid komt weer overeen met het huidige artikel 734b lid 3, met dien verstande dat de betekening van de vanwaardeverklaring is vervangen door de betekening van de executoriale titel die ter zake van de hoofdzaak is verkregen en die krachtens artikel 704, eerste lid, tevens nodig is om het beslag in de executoriale fase te brengen.

Fernhout merkt hierover op: “De regeling met betrekking tot het conservatoir beslag op aandelen werd bijna letterlijk overgenomen uit de artikelen 734a-734d Rv (oud). Er is over het hoofd gezien dat de koppeling van het aan de rechtbank te richten verzoek aan het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis geen andere reden had dan de oorspronkelijke regeling van de vanwaardeverklaring”.[6] 


In het wetsontwerp, art 715 lid 3 Rv is daarom, wellicht abusievelijk, opgenomen dat de termijn, vermeld in artikel 474g lid 1, pas eindigt één maand na de dag, waarop de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel aan de vennootschap is betekend. De toelichting verwijst namelijk naar artikel 704 lid 1 Rv, de betekening van de executoriale titel aan de beslagene en derde om het beslag in de executoriale fase te brengen.

Zoals Fernhout ook al aangaf in zijn bijdrage is de vraag of de letter van de wet of de achterliggende gedachte van de wettelijke bepaling gevolgd moet worden? Uit de Parlementaire geschiedenis blijkt immers niet dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om de termijn voor het indienen van het verzoek tot verkoop te koppelen aan het in kracht van gewijsde gaan van de executoriale titel. De verwijzing naar art. 704 lid 1 Rv duidt erop dat de wetgever die termijn wilde koppelen aan het moment waarop het beslag executoriaal wordt. Zoals de termijn voor het indienen van het verzoek tot verkoop bij een executoriaal beslag eindigt een maand nadat het beslag is gelegd, zou die termijn in geval van een conservatoir beslag eindigen een maand nadat het beslag executoriaal is geworden.  

Fernhout stelt op grond daarvan dat de wetgever ‘een steekje heeft laten vallen’ en dat de bedoeling van artikel 715 lid 3 Rv met zich brengt dat de beslaglegger binnen een maand na de betekening van de executoriale titel het verzoek van artikel 474g lid 1 Rv kan doen, op straffe van verval van het beslag, ongeacht of de titel in kracht van gewijsde is gegaan. Hij pleit ervoor dat de wet op dit onderdeel wordt aangepast.

De rechtspraak heeft zich recentelijk maar ook in het verleden gebogen over de vraag hoe art. 715 Rv uitgelegd moet worden. Hieronder volgt in chronologische volgorde een overzicht van deze rechtspraak.


Jurisprudentie

Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2010

Het Gerechtshof Amsterdam[7] geeft in 2010 aan dat artikel 715 lid 3 Rv bepaalt dat de termijn van één maand, zoals vermeld in artikel 474g Rv, eerst eindigt één maand na de dag waarop de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel aan de vennootschap is betekend. Laatstgenoemde termijn begint op grond van artikel 715 lid 3 Rv pas op de dag na de dag waarop de executoriale titel aan de vennootschap is betekend. De wet bepaalt geen termijn waarbinnen de betekening ex artikel 704 lid 1 Rv en ex artikel 715 lid 3 Rv moet plaatsvinden waardoor het executoriale beslag voor onbepaalde duur op de aandelen kan blijven rusten.

Het gerechtshof gaat uit van de tekst van de wet en een eindtermijn indien de in kracht van gewijsde gegane titel is betekend aan de vennootschap.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2010

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch[8] geeft in 2010 aan dat de bepaling van artikel 715 lid 3 Rv duidelijk maakt dat de beslaglegger niet genoodzaakt is om binnen één maand ná het uitvoerbaar verklaarde vonnis het verzoekschrift in te dienen, op straffe van verval van de beslagen. De beslaglegger kan de appeltermijn, een eventueel hoger beroep, de cassatietermijn en het eventuele cassatieberoep afwachten, zonder rechten te verliezen of wellicht risicovolle executiemaatregelen te moeten nemen. 

Het hof geeft aan dat artikel 715 lid 3 Rv een eindtermijn bevat, en die eindtermijn is gekoppeld aan het in kracht van gewijsde gaan. Ook naar aanleiding van het hier genoemde geval, namelijk dat sprake is van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis houdende een executoriale titel, kan, nog vóórdat die titel in kracht van gewijsde is gegaan, het verzoek van artikel 474g Rv worden gedaan. Een andere uitleg strookt niet met het stelsel van uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl nergens uit blijkt dat de wetgever op dit punt van dat stelsel heeft willen afwijken. 

Ook dit hof gaat uit van de tekst van de wet en geeft aan dat er slecht een eindtermijn gekoppeld is aan artikel 715 lid 3 Rv.


Rechtbank Utrecht 11 april 2012

De rechtbank Utrecht[9] maakt in 2012 onderscheid tussen (1) overgang van het conservatoire beslag naar het executoriale beslag en (2) de tijdigheid van artikel 474g lid 1 Rv. De rechtbank gaf aan dat aan de vereisten is voldaan om het conservatoire beslag over te laten gaan in een executoriaal beslag. Echter pas nadat er uitspraak in hoger beroep was gedaan heeft betrokkene het verzoekschrift ingediend en pas daarna heeft betrokkene het in kracht van gewijsde gegane titel betekend aan de vennootschap. De rechtbank geeft aan dat in de wet geen termijn is bepaald waarbinnen de betekening van een executoriale titel moet plaatsvinden, en evenmin een termijn waarbinnen de executoriale titel aan de vennootschap moet worden betekend. De rechtbank is van mening dat dit verzoek tijdig is ingediend omdat de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel nog steeds niet was betekend zodat geen sprake kan zijn van het eindigen van de termijn.

De rechtbank Utrecht gaat daarmee ook uit van de tekst van de wet.


Rechtbank Den Haag 6 juni 2019

Vervolgens beslist de rechtbank Den Haag[10] in 2019 geheel anders: “hoewel artikel 715 Rv spreekt van ‘een in kracht van gewijsde gegane executoriale titel’ in relatie tot de maandstermijn van artikel 474g Rv., past het in het stelsel van de wet dat deze termijn van een maand een aanvang neemt dadelijk nadat de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak is betekend en het beslag in de executoriale fase is beland. Mocht de beslaglegger menen dat behandeling van het verzoek als bedoeld in artikel 474g Rv niet opportuun is zolang de uitspraak niet in kracht van gewijsde is gegaan, dan zal hij de rechtbank kunnen verzoeken de behandeling van dat verzoek aan te houden. Dat verzoek zal de rechtbank in de regel inwilligen.”[11]

De rechtbank Den Haag baseert haar oordeel op het stelsel van de wet en niet op de letterlijke tekst van artikel 715 Rv.

Na deze uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt er een procedure gevoerd voor de rechtbank Rotterdam over de vraag of de advocaat in deze zaak een beroepsfout heeft gemaakt nu de beslagen zijn vervallen volgens de rechtbank Den Haag.


Rechtbank Rotterdam 20 maart 2024

De Rechtbank Rotterdam[12] geeft aan dat de tekst van het wetsartikel erop wijst dat in de daar bedoelde situatie de termijn voor het indienen van het verzoek pas eindigt nadat de executoriale titel is betekend én die titel in kracht van gewijsde is gegaan. Dit wordt versterkt door het gebruik van het woord “eerst” in de zin van: “pas als” of “niet eerder dan”. Dat duidt er op dat deze bepaling een uiterste datum in het leven roept waarop het verzoek nog kan worden gedaan, namelijk pas als aan de genoemde voorwaarden is voldaan, waaronder het in kracht van gewijsde gaan van de titel; de termijn kan niet eerder eindigen.

De rechtbank Rotterdam sluit aan bij de tekst van de wet.


Gerechtshof Den Haag 16 december 2025

Tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.[13] Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat er beginsel mocht worden afgegaan op de tekst van artikel 715 lid 3 Rv. Een letterlijke uitleg van deze bepaling leidt tot de conclusie dat ingeval conservatoir beslag is gelegd, de termijn van artikel 474g Rv niet eerder eindigt dan nadat de executoriale titel – nadat die in kracht van gewijsde is gegaan – aan de vennootschap is betekend; de termijn eindigt dan één maand na die betekening.

Ook het hof sluit aan bij de tekst van de wet.

De rechtspraak is dus behoorlijk eensluidend. Alleen de rechtbank Den Haag oordeelde dat moet worden afgeweken van de letterlijke tekst van de wet en dat het stelsel van de wet doorslaggevend is.


Conclusie

De tekst van de wettelijke bepaling van artikel 715 lid 3 Rv is duidelijk. Er is een eindtermijn en deze termijn van een maand eindigt na betekening van het in kracht van gewijsde gegane vonnis aan de derde. De Memorie van toelichting doet vermoeden dat de wetgever beoogde om deze termijn te laten eindigen een maand nadat het conservatoire beslag is overgaan in een executoriaal beslag.

Hierbij een oproep aan de wetgever om de bepaling van artikel 715 lid 3 Rv te wijzigen zodat dit overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. Als de tekst: “De termijn, vermeld in artikel 474, eerste lid, eindigt eerst één maand na de dag, waarop de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel aan de vennootschap is betekend ” wordt vervangen door: “De termijn, vermeld in artikel 474, eerste lid, eindigt eerst één maand na de dag, waarop het beslag executoriaal is geworden” sluit deze bepaling naadloos aan bij de in artikel 704 lid 1 Rv opgenomen regeling voor de overgang van conservatoire beslagen in de executoriale fase én bij de in artikel 474g lid 1 Rv opgenomen regeling die geldt voor executoriaal beslag op aandelen op naam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


[1] met dank aan mr. J.D. (Jan Dirk) van Vlastuin, juridisch adviseur Bij BVD Advocaten voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

[2] Gerechtshof Den Haag 16 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2580.

[3] Artikel 704 lid 1 Rv.

[4] Zie Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2024, nr. 124. Een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan kan met een rechtsmiddel worden aangetast en daarnaast kan daar, in een executiegeschil op de voet van artikel 438 Rv, (tijdelijk) tegen worden opgekomen. Zie voor het dan geldende toetsingskader laatstelijk HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/426, m.nt. A.I.M. van Mierlo.

[5] Kamerstukken II 1980-1981, 16593, 3.

[6] F.J. Fernhout, ‘Een geniepigheidje bij beslag op aandelen’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2010-2, p. 46 e.v.

[7] Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2010, NL:GHAMS:2010:BM9245.

[8] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9593.

[9]  Rechtbank Utrecht 11 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3470.

[10]  Rechtbank Den Haag 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6099.

[11] Kritisch besproken in: mr. J.D. van Vlastuin, Executoriale verkoop van aandelen: Tijdstip indiening verzoek tot verkoop bij een executoriaal geworden conservatoir beslag, BER 2019/7, p. 18-19.

[12]  Rechtbank Rotterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2671.

[13] Gerechtshof Den Haag 16 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2580.

 

 

 
 
 

1 opmerking

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
Jan Dirk van Vlastuin
20 jan
Beoordeeld met 5 uit 5 sterren.

Helder artikel over niet doordachte wetsbepaling.

Like
bottom of page