top of page

De vergeten termijn: rechtsbescherming in de knel bij artikel 435 lid 3 Rv


Door: mr. M. Bernardt en mr. J.D van Vlastuin


Inleiding

In ons eerdere artikel, “De oprekking van het leerstuk: beslag ten laste van een ander”,[1] beschreven wij artikel 435 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Als een schuldeiser executoriaal beslag legt op een goed dat aan een ander (een derde) toebehoort, moet hij dit beslag binnen acht dagen aan die derde betekenen. Indien de beslaglegger het recht van de derde op het moment van de beslaglegging nog niet kende, moet de betekening binnen acht dagen na de ontdekking daarvan plaatsvinden.


De derde kan vervolgens binnen acht dagen na de betekening schriftelijk laten weten dat hij zich tegen dit beslag verzet. Vanaf het moment van verzet wordt de executie van het beslag van rechtswege geschorst. Het beslag geldt daarna ten opzichte van de derde als een conservatoir beslag. De executie mag pas worden voortgezet als de beslaglegger een executoriale titel tegen de derde heeft verkregen waarin staat dat de derde deze executie moet dulden.


In het vorige artikel bleef één vraag onbeantwoord: binnen welke termijn moet de eis in hoofdzaak tegen deze derde worden ingesteld om zo'n executoriale titel te krijgen?


De termijn voor de eis in hoofdzaak

Bij een regulier conservatoir beslag is altijd voorafgaand verlof van de voorzieningenrechter nodig. De voorzieningenrechter bepaalt in dat verlof de termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak moet worden ingesteld. In beginsel stelt de rechter deze termijn op 14 dagen na het leggen van het beslag. Op gemotiveerd verzoek kan de rechter een langere termijn toestaan. De wet schrijft in artikel 700 lid 3 Rv voor dat deze termijn minimaal acht dagen moet bedragen. Als de beslaglegger deze termijn overschrijdt, vervalt het conservatoire beslag automatisch.


De wetgever heeft deze strikte termijn in het leven geroepen vanuit het oogpunt van rechtsbescherming. Het voorkomt dat een betrokkene onnodig lang in onzekerheid verkeert over de in beslag genomen goederen en het dwingt de beslaglegger tot actie omdat het beslag kan vervallen.


De wet bevat echter een leemte voor de situatie van artikel 435 lid 3 Rv. Wanneer de derde zich verzet en het executoriale beslag daardoor wordt omgezet in een conservatoir beslag, bepaalt de wet namelijk niet expliciet binnen welke termijn de beslaglegger de hoofdzaak tegen deze derde moet starten. De vervaltermijn van artikel 700 lid 3 Rv mist hier directe toepassing, omdat die slechts betrekking heeft op de hoofdzaak tegen de schuldenaar te wiens laste het beslag oorspronkelijk werd gelegd.[2]


Wat geldt als een 'eis in hoofdzaak'?

Om de vereiste executoriale titel tegen de derde te verkrijgen, moet een hoofdzaak worden gestart. Dit kan in de praktijk op verschillende manieren gebeuren. Het uitbrengen van een dagvaarding in een bodemprocedure, een kort geding starten, het indienen van een verzoekschrift bij de griffie van de rechtbank of het opleggen van een belastingaanslag[3] worden alle gezien als het starten van een eis in hoofdzaak.


Jurisprudentie en de praktijk

Al in 1963 oordeelde de president van de rechtbank Amsterdam[4] dat een hoofdzaak binnen een 'redelijke termijn' moet worden ingesteld, omdat de rechter het beslag anders wegens misbruik van recht kan opheffen. In de huidige praktijk wordt voor deze redelijke termijn vaak aansluiting gezocht bij de analoge termijnen uit de Beslagsyllabus (14 dagen tot 4 weken). In 2025 oordeelde de rechtbank Amsterdam[5] in een kort geding over de opheffing van een executoriaal beslag. De derde-beslagene maakte in deze zaak geen gebruik van de verzetprocedure. De rechtbank wees de vordering tot opheffing af, omdat de derde een principieel oordeel wenste over de vraag omtrent vereenzelviging; een vraagstuk dat zich volgens de voorzieningenrechter niet leent voor behandeling in kort geding. De beslaglegger was er in deze procedure vanuit gegaan dat de derde verzet had ingesteld, waarna de bodemprocedure op 30 september 2025 aanhangig werd gemaakt. Dit was twee maanden na het veronderstelde verzet van 31 juli 2025. De rechtbank concludeerde dat er onder deze omstandigheden geen sprake was van misbruik van recht.


Toepassing op de casus (Gazprom / DTEK) [6]

In deze specifieke zaak speelde het volgende:


  • 24 juli 2025: Gazprom International maakt bezwaar tegen het gelegde beslag. Hierdoor werd de executie op grond van art. 435 lid 3 Rv van rechtswege geschorst en geldt het gelegde executoriale beslag als conservatoir beslag.

  • 2 oktober 2025: Ruim twee maanden later maakt DTEK de bodemprocedure tegen Gazprom International aanhangig via een dagvaarding.


De kernvraag in deze procedure is of deze periode van ruim twee maanden voldoet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, dan wel of het beslag wegens excessief stilzitten van de beslaglegger had moeten worden opgeheven. Het hof overweegt dat het ontbreken van een expliciete wettelijke termijn in artikel 435 lid 3 Rv niet betekent dat een beslaglegger eindeloos mag wachten. De derde voerde aan dat een beslaglegger gepaste voortgang moet betrachten bij het starten van de bodemzaak en dat in casu te lang is gewacht. De beslaglegger had immers zelf toegezegd de bodemzaak uiterlijk op 30 september 2025 aanhangig te maken. Volgens de derde was de periode van 24 juli tot 30 september al onredelijk lang, waarna de daadwerkelijke dagvaarding pas op 2 oktober volgde. De beslaglegger heeft echter gemotiveerd toegelicht waarom de bodemzaak niet vóór 2 oktober 2025 aanhangig gemaakt kon worden. Nu de derde deze toelichting niet heeft betwist, acht het hof de door de beslaglegger gehanteerde termijn onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk lang.


Het beginsel van rechtsbescherming brengt mee dat een derde niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over diens goederen. Door de huidige wettelijke leemte wordt de beslaglegger echter niet via een harde, automatische vervaltermijn tot actie gedwongen. De positie van de derde wordt in de huidige wetgeving dan ook onvoldoende beschermd tegen een stilzittende beslaglegger.

 

Conclusie

Rechtsbescherming moet geboden worden. Een termijn kan in artikel 435 lid 3 Rv worden opgenomen zodat vast staat binnen welke termijn deze eis in hoofdzaak ingesteld moet worden. Dit voorkomt dat de derde onnodig lang in onzekerheid verkeert over de in beslag genomen goederen en het dwingt de beslaglegger tot actie omdat het beslag kan vervallen.

Aangesloten kan worden bij de termijn in de beslagsyllabus van 14 of 30 dagen. Ook hier kan een verlenging van de termijn verzocht worden voordat de termijn is geëindigd indien er redenen toe zijn. De eis dat het beslag vervalt indien niet tijdig een eis in hoofdzaak wordt ingesteld, dient ook hier van toepassing te zijn.

 

Voetnoten

[2] Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 316 (16593,  5) M.v.A. II Inv.

[3] HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, NJ 2004, 557.

[4] Pres. Rb. Amsterdam 30 juli 1963, NJ 1963, 500.

[5] Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7244

[6] Gerechtshof Den Haag, 24-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:181

 

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page