top of page

Introductie van de verklaringsprocedure in artikel 19 Invorderingswet 1990

Door: Mr. M. Bernardt [1]


Inleiding

Om de effectiviteit en de efficiëntie van de invordering voor de ontvanger te versterken maar ook de informele en kosteloze procedure voor de derde en de belastingschuldige te behouden stellen wij een wijziging van artikel 19 Invorderingswet 1990 (IW 1990) voor. Kern van dit voorstel is het integreren van de verklaringsprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in het vereenvoudigd derdenbeslag van artikel 19 IW 1990.

 

De Invorderingswet 1990

Bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 stond een adequate en efficiënte invordering centraal.[2] Naast de regelingen die zijn opgenomen in de Invorderingswet 1990 ter versterking van de positie van de Staat als schuldeiser zoals het fiscale voorrecht en het bodemrecht, bevat de wet ook bepalingen die uit efficiencyoverwegingen zijn opgenomen om een adequate invordering mogelijk te maken.[3]


Een instrument dat uit efficiencyoverwegingen is opgenomen is de ‘vordering’ (destijds artikel 20, thans artikel 19 IW 1990). De wetgever koos bewust voor een informele procedure om de "omslachtige en kostbare weg" van het executoriaal derdenbeslag te vermijden. Een executoriaal derdenbeslag wordt, nadat het vonnis is betekend, bij exploot gelegd door een deurwaarder. De deurwaarder laat het executoriale beslag onder derden, de titel en het formulier waarop de verklaring gedaan moet worden bij de derde achter. Het executoriale beslag onder derden wordt vervolgens betekend aan de beslagene.


Het doen van een vordering is minder omslachtig en kostbaar, De vordering wordt bij beschikking gedaan na het betekenen van een dwangbevel, per brief of bij exploot. Deze beschikking wordt per brief verstuurd. In de gevallen dat het dwangbevel per post is verstuurd en de derde geen betaaldienstverlener is, wordt er een vooraankondiging verstuurd aan de beslagene bij brief. De vordering wordt ook meegedeeld aan de beslagene per brief. De vordering zelf is kosteloos. Het executoriale beslag en de betekenen aan de beslagene door de deurwaarder is niet kosteloos.


Achterliggende gedachte van de vordering is dat zonder deze gegeven bevoegdheid aan de ontvanger de werkdruk voor zowel de belastingadministratie als de rechterlijke macht, vanwege de inherente verklaringsprocedures bij de rechtbank, onhoudbaar zou zijn geworden. De ratio was helder: een eenvoudige vorm van derdenbeslag zonder tussenkomst van de rechter.[4]

 

Beperkingen van de huidige regeling

Het huidige achtste lid van artikel 19 IW 1990 weerspiegelt het informele karakter. Omdat de procedure kosteloos is en buiten de rechter om gaat, kan een derde niet worden gedwongen om aan de vordering te voldoen. Indien een derde weigert mee te werken, dient de ontvanger alsnog een executoriaal derdenbeslag te leggen conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel dit beslag dan terugwerkt tot het moment van de oorspronkelijke vordering, indien in het exploot van beslag de relatie met de vordering wordt opgenomen, zorgt deze route voor vertraging, extra handelingen en kosten. De vraag die gesteld moet worden, is of (en hoe vaak) er een inherente verklaringsprocedure bij de rechtbank voortvloeit uit een executoriaal derdenbeslag.


De zoekterm ontvanger en 477 Rv levert op rechtspraak.nl vanaf het jaar 2000 159 zoekresultaten. De zoekterm 477 Rv alleen levert 1646 zoekresultaten. De civiele deurwaarders hebben in 2024 300.000 beslagen onder derden gelegd.[5] Onder dit aantal vallen ook een aantal beslagen op aandelen. Je kan echter met dit aantal niet zeggen dat een verklaringsprocedure inherent is aan een beslag onder derden. Het percentage is ongeveer 0,5 %.

 

Uitbreiding van de vordering

Het doen van een vordering werd in 2019 uitgebreid van limitatief opgesomde vorderingen, onder meer de loonvordering, naar alle geldvorderingen, wat voor de belastingplichtige kostenbesparend werkt vergeleken met de deurwaarderskosten van een regulier beslag.[6] De eenvoudige vorm zonder tussenkomst van de rechter werd gehandhaafd.


In 2020 vond een belangrijke wijziging plaats. Voor betaaldienstverleners werd het principe van 'geen verklaringsprocedure' deels losgelaten. Via de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (art. 1cbis 4 URIW 1990) werden de betaaldienstverleners verplicht om te verklaren.

Hoewel hiermee formeel geen wijziging van bevoegdheden werd beoogd, is die wijziging er in feite wel gekomen. De eenvoudige vorm van de vordering is losgelaten door de verklaring te implementeren voor de betalingsvordering bij een betaaldienstverlener in artikel 1cbis.4 URIW 1990. Het handhavingsaspect, zonder tussenkomst van de rechter werd niet losgelaten.[7]


De gedachte om alleen de betaaldienstverlener (en geen andere derden) te verplichten om een verklaring af te leggen, wordt niet toegelicht.

 

Voorstel

Onze suggestie is om artikel 19 van de Invorderingswet 1990 te wijzigen, door de verklaringsplicht op te nemen voor alle derden jegens wie een vordering in het eerste lid is gedaan. Het achtste lid wordt gewijzigd waardoor in het geval van geen verklaring doen, een betwiste verklaring of geen afdracht doen de verklaringsprocedure van artikel 477 Rv van overeenkomstige toepassing is.

 

Suggestie

 

In artikel 19 lid 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:


Wijziging lid 8

Nieuw sub a:

"De derde jegens wie een vordering als bedoeld in het eerste lid is gedaan, is verplicht binnen twee weken na de vordering aan de ontvanger een verklaring te doen van de vorderingen die door de vordering zijn getroffen."

 

Nieuw sub b:

"Indien de derde de in het vorige lid bedoelde verklaring niet doet, dan wel indien de verklaring wordt betwist, zijn de artikelen 477, 477a en 478 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De vordering van de ontvanger wordt in dat geval geacht een executoriaal derdenbeslag te zijn als bedoeld in de tweede afdeling van de tweede titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering."

 

Conclusie

Het huidige artikel 19 van de Invorderingswet 1990 schiet tekort in effectiviteit wanneer derden weigeren mee te werken. Hoewel de wetgever in 1990 bewust koos voor een informele en kosteloze procedure om de rechterlijke macht en de belastingadministratie te ontlasten, laten de cijfers zien dat een verklaringsprocedure geen inherent gevolg is van elk derdenbeslag (slechts 0,5% van de gevallen bij civiele deurwaarders). De

vrees voor een onhoudbare werkdruk voor de rechterlijke macht wordt daarmee niet bewezen, Nu de verklaringsplicht bovendien in 2020 al succesvol is geïntegreerd voor betaaldienstverleners (art. 1cbis.4 URIW 1990), is de logische vervolgstap om deze lijn door te trekken naar alle derden. Indien een derde naar aanleiding van een vordering weigert mee te werken, dient er alsnog een beslag gelegd te worden. Dit leidt tot vertraging doordat er extra handelingen verricht moeten worden maar ook tot hogere kosten omdat aan het leggen van beslag een prijskaartje hangt.


Door de verklaringsplicht uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 475 en 476 Rv) te integreren in artikel 19 IW 1990 en de verklaringsprocedure van artikel 477 Rv van overeenkomstige toepassing te verklaren, kan de positie van de Ontvanger versterkt worden zonder de efficiëntie van de vorderingsprocedure te verliezen.


[1] Met dank aan mr. J.D. van Vlastuin voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

[2] Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 1.

[3] Tweede kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20588, nr 3 p. 12.

[4] Tweede kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20588, nr3, p. 58.

[5] www.kbvg.nl, kerncijfers 2024

[6] Tweede Kamer vergaderjaar 2017-2018, 34786 nr. 3

[7] Staatscourant 2020 nr. 35114 30 juni 2020

 

Zie ook van deze auteur


Invorderen van bestuursrechtelijke geldschulden en gemeentelijke belastingen
€39.50
Nu kopen

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page