De oprekking van het leerstuk beslag ten laste van een ander
- mr. M. (Maritza) Bernardt
- 2 dagen geleden
- 7 minuten om te lezen
Door mr. M. Bernardt en mr. J.D. van Vlastuin
Inleiding
In het Nederlandse beslag- en executierecht geldt als uitgangspunt dat een schuldeiser zich kan verhalen op alle goederen die toebehoren aan zijn schuldenaar, zoals bepaald in artikel 3:276 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De praktijk laat echter zien dat vermogensbestanddelen regelmatig worden ondergebracht bij derden, wat de effectiviteit van een executoriale titel en daarmee het beslag en executierecht onder druk zet. De centrale vraag in dit artikel is in hoeverre de grenzen van het verhaalsrecht kunnen worden opgerekt wanneer goederen formeel toebehoren aan een dochteronderneming of een gelieerde derde, maar feitelijk toegerekend moeten worden aan de schuldenaar.
In de recente uitspraak van het Gerechtshof Den Haag [1] staat de toepassing van artikel 435 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) centraal. Dit artikel vormt een bijzondere uitzondering in het executierecht: het biedt de mogelijkheid om executoriaal beslag te leggen op goederen die aan een ander dan de schuldenaar toebehoren, mits de schuldeiser aannemelijk maakt dat hij bevoegd is zich op die specifieke goederen te verhalen.
Aan de hand van de casus tussen JSC DTEK Krymenergo en de Russische Federatie [2] wordt bekeken hoe de Nederlandse rechter omgaat met deze mogelijkheid van beslagleggen.
Relevante feiten
Op 1 november 2023 heeft het Permanente Hof van Arbitrage te Den Haag vonnis gewezen in een arbitrale procedure tussen JSC DTEK Krymenergo, gevestigd te Kiev Oekraïne (hierna: DTEK) en de Russische Federatie. De Russische Federatie is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding aan DTEK. Aan DTEK is verlof verleend het arbitraal vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen.

Op 21 juli 2025 heeft DTEK executoriaal beslag gelegd op alle aandelen die Gazprom International houdt in Wintershall Noordzee BV.

Gazprom International is een onderneming naar Russisch recht. Enig aandeelhouder is de Russische vennootschap LLC Gazprom Capital. De aandelen in LLC Gazprom Capital worden gehouden door PJSC Gazprom. De Russische Federatie is houder van 50,23 % van de aandelen in PJSC Gazprom

Door DTEK is executoriaal beslag gelegd op de aandelen die Gazprom International heeft in Wintershall Noordzee BV. DTEK heeft echter een vonnis dat voor tenuitvoerlegging vatbaar is tegen de Russische Federatie en heeft geen vonnis dat voor tenuitvoerlegging vatbaar is tegen Gazprom International.
Gazprom International vordert alle door DTEK gelegde beslagen op te heffen. De deurwaarder die het beslag heeft gelegd heeft in reactie op de sommatie om het executoriale beslag op te heffen aangegeven dat het beslag ten laste van de Russische Federatie is gelegd op grond van artikel 435 lid 3 Rv.
Artikel 435 Rv
Artikel 435 lid 1 Rv geeft de hoofdregel van het executierecht mooi weer. Vermeld wordt dat het de executant vrij staat beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen. De parlementaire geschiedenis [3] geeft aan dat de belangrijkste vraag in dit kader is of de executant bevoegd is zich op het betreffende goed te verhalen. Uitdrukkelijk wordt aangegeven dat het niet nodig is dat het goed aan de schuldenaar toebehoort. Zowel het tweede als het derde lid van artikel 435 Rv geven vervolgens een regeling voor het verhaal van vorderingen op goederen die aan een ander dan de schuldenaar toebehoren. Het onderscheid tussen lid 2 en lid 3 van art. 435 Rv zit in het antwoord op de vraag ten laste van wie het beslag wordt gelegd. Wordt het beslag ten laste van de derde gelegd, dan is lid 2 van toepassing: het beslag wordt dan binnen 8 dagen aan de schuldenaar betekend. Wordt het beslag ten laste van de schuldenaar gelegd, dan is het voorschrift van lid 3 van toepassing. De beslaglegger dient binnen acht dagen het beslag aan de ander te betekenen. Indien hij het recht van de ander niet kent, dient hij binnen acht dagen het beslag te betekenen nadat hij kennis heeft genomen van dit recht. De ander kan binnen acht dagen meedelen zich tegen verhaal op zijn goed te verzetten. Het beslag geldt dan ten opzichte van de ander als een conservatoir beslag. Executie kan dan pas plaatsvinden indien er een executoriale titel is waarbij is bepaald dat de ander de executie moet dulden. Het bovengenoemde gerechtshof bevestigt dat het beslag gelegd is op grond van artikel 435 lid 3 Rv. Omdat DTEK het beslag legde ten laste van de Russische Federatie op aandelen van Gazprom, was lid 3 de aangewezen weg. Het verzet van Gazprom transformeert het executoriale beslag naar een conservatoir beslag (art. 435 lid 3, laatste volzin Rv).
In deze procedure is executoriaal beslag gelegd ten laste van de Russische Federatie op de aandelen die Gazprom International in Wintershall Noordzee BV heeft. Dit beslag is door het verzet van Gazprom International een conservatoir beslag op aandelen geworden.
Wanneer behoort het goed aan een ander dan de schuldenaar toe?
Artikel 435 Rv geeft alleen weer hoe het beslag moet plaatsvinden indien het goed aan een ander toebehoort. De parlementaire geschiedenis [4] geeft niet aan wanneer een goed aan een ander toebehoort. Er wordt alleen aangegeven dat de bevoegdheid aanwezig moet zijn om zich op het betreffende goed te verhalen. Een voorbeeld dat aangehaald kan worden in het belastingrecht is het bodembeslag waarbij de ontvanger zich kan verhalen op roerende zaken die aan een derde toebehoren maar die zich op de bodem van belastingschuldige bevinden. Deze bevoegdheid is een wettelijke bevoegdheid omdat deze in artikel 22 van de Invorderingswet 1990 wordt gegeven. Een andere wettelijke bevoegdheid om het goed dat toebehoort aan een ander te verhalen is geregeld bij het huwelijksgoederenrecht, als de zaken in een gemeenschap vallen, kunnen de zaken van de ene echtgenoot voor de schuld van een andere echtgenoot uitgewonnen worden. Indien er een wettelijke bevoegdheid gegeven is, zijn de kaders om de zaken in beslag te nemen duidelijk aangegeven. In bovengenoemde zaak is er geen sprake van een wettelijke bevoegdheid.
Vereenzelviging
Er is een bevoegdheid die gegeven wordt in de jurisprudentie om toch het goed van de ander te verhalen ten laste van de schuldenaar. Dit kan indien er sprake is van vereenzelviging.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals verankerd in het Rainbow-arrest [5] vormt de zelfstandigheid van een rechtspersoon het juridische uitgangspunt. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden is afwijking hiervan gerechtvaardigd, met name wanneer er sprake is van misbruik van het identiteitsverschil.
In het Rainbow-arrest worden hiervoor specifieke criteria benoemd die wijzen op een onrechtmatige verstrengeling:
De feitelijk beleidsbepaler of enig aandeelhouder bekleedt bij beide entiteiten dezelfde machtspositie.
De betrokken partij oefent (nagenoeg) volledige controle uit over zowel de schuldenaar als de derde partij.
De derde partij zet de ondernemingsactiviteiten van de schuldenaar direct voort, veelal met dezelfde opdrachtgevers.
Er is sprake van nagenoeg gelijke handelsnamen en een identieke marktpositionering.
Indien er vereenzelviging wordt aangenomen heeft dit niet een overgang van de schuld op de derde voor ogen, maar wordt het mogelijk geacht dat de bodemrechter zal oordelen dat door de schuldeiser ter zake van die schuld op (het vermogen van) de derdeverhaal kan worden uitgeoefend omdat de beide vennootschappen moeten worden vereenzelvigd.
De Hoge Raad kwalificeert dergelijk misbruik als een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De verplichting tot schadevergoeding rust daarbij niet alleen op de natuurlijke persoon die de zeggenschap uitoefent, maar ook op de rechtspersonen zelf; het ongeoorloofde oogmerk van de bestuurder wordt immers aan de door hem beheerste entiteiten toegerekend.
De Hoge Raad geeft aan: “Het geconstateerde misbruik in de onderhavige zaak is evident: door de ondernemingsactiviteiten van de schuldenaar te staken en direct voort te zetten via de derde partij, had [betrokkene] geen ander oogmerk dan de schuldeiser te benadelen door verhaal op het vermogen van de schuldenaar te verijdelen. Deze doelbewuste benadeling is onrechtmatig en verplicht de verantwoordelijke (rechts)personen tot vergoeding van de geleden schade. Daarbij geldt overigens dat de omvang van deze schade niet per definitie gelijk is aan de hoogte van de oorspronkelijke vordering, maar wordt vastgesteld op basis van de feitelijk verijdelde verhaalsmogelijkheden”.
Hoewel het Rainbow-arrest misbruik van identiteitsverschil, benadeling en schadevergoeding centraal stelt, verruimt de rechtbank en in hoger beroep het gerechtshof Den Haag het begrip vereenzelviging. Er kan sprake zijn van misbruik van de bevoegdheid om zich te beroepen op juridische zelfstandigheid.
Het hof geeft aan dat men voorbij kan gaan aan de rechtspersoonlijkheid van een vennootschap en andere rechtspersonen of natuurlijke personen aansprakelijk kan houden voor het handelen of de schulden van de vennootschap. Volgens Russisch recht kan dit ook voor het handelen of de schulden van een entiteit die deze vennootschap controleert of die met deze vennootschap is verbonden. Ook kan er aansprakelijkheid zijn voor de schulden van een beleidsbepalende meerderheidsaandeelhouder, in dit geval 50,23 %. De juridische werkelijkheid, die in het Rainbow arrest nog bepalend was wordt daarmee losgekoppeld. De feitelijke werkelijkheid, wie is de controlerende en beleidsbepalende vennootschap, is daarmee bepalend in deze zaak. In ieder geval wordt door het hof een zekere mate van waarschijnlijkheid aangenomen zodat het beslag niet wordt opgeheven. Indien de feitelijke werkelijkheid naar Nederlands recht wordt toegepast, kan een beroep op juridische zelfstandigheid van een rechtspersoon onder omstandigheden worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid, zoals in artikel 3:13 BW bepaald. Misbruik van bevoegdheid wordt aangenomen als een rechtspersoon gebruikt wordt louter als instrument door de beleidsbepalende meerderheidsaandeelhouder,
Een beroep op de juridische zelfstandigheid is in die situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) onaanvaardbaar, indien dit alleen dient om verhaal op de werkelijke belanghebbende te verijdelen. Hoewel nog niet voorgekomen, zou dit een oprekking zijn van het leerstuk “beslag op goederen van een ander”.
Conclusie
Concluderend kan men stellen dat het leerstuk van beslag op goederen van een ander door zowel de rechtbank als het hof zodanig is opgerekt dat ten laste van een beleidsbepalende meerderheidsaandeelhouder verhaal kan worden genomen op goederen van een rechtspersoon. Indien dit in een Nederlandse situatie wordt toegepast, wordt het begrip vereenzelviging niet meer door de juridische werkelijkheid bepaald maar door de feitelijke werkelijkheid. Dit zou de effectiviteit van het beslag- en executierecht ten goede komen.
Voetnoten
[1] Gerechtshof Den Haag 24 februari 2026, ECLI:NL: GHDHA:2026:181.
[2] Rechtbank Den Haag, 5 september 2025, ECLI:NL: RBDHA:2025:16440.
[3] Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 593, nr. 3.
[4] Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 593, nr. 3.
[5] HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480.
Zie ook van deze auteur



Opmerkingen