Home  ›  Journaal  ›  Samenloop van beslag en hypotheek: een breuk met de…

8 september 2026·Belastingrecht

Samenloop van beslag en hypotheek: een breuk met de klassieke verdelingssystematiek!

mr. M. (Maritza) Bernardt  ·  10 minuten lezen

Door: mr. M. Bernardt en mr. J. D van Vlastuin

Inleiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant [1] boog zich op 8 april 2026 over de verdeling van een restant executieopbrengst van € 174.396,61, na de verkoop van een onroerende zaak door hypotheekhouder Van Lanschot. De andere schuldeiserswaren het niet eens over de verdeling van de executieopbrengst. Zij sloten een depotovereenkomst met de notaris en doordat zij geen overeenstemming bereikten was een onherroepelijke rechterlijke uitspraak vereist voor uitkering van de opbrengst. Het artikel gaat in op de rangorde van beslagen en hypotheekrechten en de verschillende zienswijzen van verdeling van de restant executieopbrengst.

De hypotheekhouder

Een onroerende zaak, een woning in deze zaak, is geveild door de eerste hypotheekhouder, Van Lanschot. Op grond van artikel 509 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een hypotheekhouder de executie overnemen van een beslaglegger. Wel moet hij deze overname binnen veertien dagen aanzeggen aan de beslaglegger. Deze overname is alleen mogelijk als de geëxecuteerde in verzuim is. Artikel 3:268 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de hypotheekhouder het verbonden goed openbaar mag verkopen via een notaris, zodra de schuldenaar tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen waarvoor de hypotheek als zekerheid dient. Er is sprake van verzuim wanneer de schuldenaar een betalingsachterstand heeft en deze achterstand na een formele sommatie niet heeft voldaan. Daarnaast staat in hypotheekaktes vaak de bepaling dat de vordering van de hypotheekhouder direct opeisbaar wordt zodra er beslag op de woning wordt gelegd.

De executieopbrengst

Van Lanschot heeft uit hoofde van haar hypothecaire vorderingen, zij had een eerste en tweede hypotheekrecht op de onroerende zaak, een bedrag van € 904.222,89 ontvangen. De resterende executieopbrengst bedraagt € 174.396,61 en moet nog onder de overige schuldeisers worden verdeeld. Omdat de woning door de hypotheekhouder is verkocht (art. 3:268 BW), schrijft artikel 3:270 BW voor hoe de koopprijs moet worden voldaan en verdeeld. De koper stort de koopsom bij de notaris, die hieruit eerst de executiekosten betaalt. Het restant, de netto opbrengst, wordt vervolgens verdeeld, art 3:270 lid 2 BW. Indien de beslaglegger executeert, is artikel 551 Rv van toepassing die hetzelfde voorschrijft. Bij deze verdeling is het van belang of er, naast de executant, nog andere gerechtigden zijn. In deze casus is dat het geval. Als alle schuldeisers het eens zijn over de verdeling, keert de notaris de bedragen volgens afspraak uit. Worden zij het niet eens? Dan stort de notaris de opbrengst bij een bewaarder en moet er een formele rangregeling worden gestart. In deze zaak zijn de hypothecaire schulden volledig voldaan. Dit waren beide hypothecaire vorderingen van Van Lanschot. Het gaat nu alleen om de verdeling van het restant van de opbrengst. Partijen hebben niet gekozen voor een formele rangregeling via een rechter-commissaris. In plaats daarvan hebben zij op 11 juli 2024 een depotovereenkomst gesloten met de notaris. Artikel 4 van deze overeenkomst bepaalt dat de notaris het depot van € 174.396,61 pas mag uitkeren na een duidelijke, gezamenlijke schriftelijke opdracht van partijen, óf na een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. De overige schuldeisers (die in rangorde na Van Lanschot komen) zijn het oneens over de verdeling. Daarom dient er een onherroepelijke rechterlijke uitspraak te komen.

Feiten

De chronologische feiten in deze zaak zijn als volgt:

De schuldenaar vestigt een eerste en tweede hypotheekrecht op zijn woning ten gunste van Van Lanschot. De Rabobank legt op 28 juli 2021 beslag op de woning voor een schuld van € 114.710,33. De schuldenaar vestigt op 1 maart 2022 een derde hypotheekrecht op de woning ten gunste van X, tot een bedrag van € 73.929,14. De Rabobank legt op 11 mei 2023 voor een tweede maal beslag op de woning, dit keer voor een schuld van € 505.899,21. De Ontvanger legt op 22 januari 2024 beslag op de woning voor een openstaande schuld van € 18.594,00. De schuldenaar vestigt op 1 maart 2024 een hypotheekrecht ten gunste van de Ontvanger voor een schuld van € 228.584,79. De Ontvanger legt op 2 juli 2024 opnieuw beslag op de woning, nu voor een schuld van € 225.109,79.

Schematisch ziet bovenstaande er als volgt uit:

De wettelijke bescherming van de executant

Artikel 505 lid 2 Rv regelt de bescherming van de executant tegen latere rechtshandelingen van de schuldenaar. Dit is nodig omdat een beslaglegging op een onroerende zaak niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de schuldenaar. Dit betekent dat de schuldenaar, ondanks het rustende beslag, beschikkingsbevoegd blijft om een hypotheekrecht op zijn woning te vestigen of de woning te verkopen. Het vestigen van een hypotheekrecht is een vrijwillige en actieve rechtshandeling van de eigenaar en de hypotheekhouder samen. De verkoop van de woning is ook een vrijwillige en actieve rechtshandeling van de eigenaar en de nieuwe koper.

Ter bescherming van de beslaglegger, of de hypotheekhouder die de executie overneemt, bepaalt artikel 505 lid 2 Rv echter dat een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling, verhuring of verpachting die tot stand komt ná de inschrijving van het proces-verbaal van beslag, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Dit houdt in dat een hypotheek gevestigd (of de verkoop van de woning) tot stand gekomen na het beslag, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, tenzij het derde lid van artikel 505 lid 3 Rv van toepassing is.[2]

Op deze hoofdregel bestaat ook een uitzondering voor de verhuur van woonruimte waarop de artikelen 7:271 tot en met 7:277 BW van toepassing zijn. Dergelijke verhuringen kunnen wél tegen de beslaglegger worden ingeroepen, tenzij de verhuring heeft plaatsgevonden na de bekendmaking als bedoeld in artikel 516 Rv, óf indien de huurder wist dat de beslaglegger door deze verhuring in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld. Dit laatste is in deze casus niet van toepassing.

De heersende leer in de rechtspraak

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [3] kan een hypotheekrecht dat is gevestigd na een eerste beslag, maar vóór een opvolgend beslag, worden ingeroepen tegen die opvolgende beslaglegger.

Toegepast op de onderhavige casus betekent dit dat een bezwaring die is opgekomen na de inschrijving van het proces-verbaal van beslag, niet aan de desbetreffende beslaglegger kan worden tegengeworpen. Concreet kan het derde hypotheekrecht van X niet tegen het eerdere beslag van de Rabobank worden ingeroepen, maar wel tegen de beslagen die na het hypotheekrecht zijn gevestigd, het latere beslag van de Rabobank en het beslag van de Ontvanger. De eerste en tweede hypotheekrechten van Van Lanschot kunnen daarentegen wel aan de Rabobank worden tegengeworpen, aangezien deze voorafgaand aan de inschrijving van het proces-verbaal van beslag zijn gevestigd.

In deze casus dient de verdeling van de restant executieopbrengst van € 174.396,61 dan als volgt plaats te vinden:

· Rabobank: 114.710,33

· X : 59.686,28

· Ontvanger: 0,00

Het geschil

In deze procedure betwist de Ontvanger de voorgestelde verdeling van de restant executieopbrengst. De Ontvanger is van mening dat een hypotheekrecht voorrang heeft wegens de wettelijke preferentie op haar belastingvordering, waardoor X vóór de Ontvanger recht heeft op de restant executieopbrengst. De Ontvanger is echter van mening dat het leggen van een beslag op zichzelf geen voorrang schept. Omdat de Ontvanger over een wettelijke preferentie beschikt die boven een gewoon beslag gaat, dient hij naar zijn mening direct na het hypotheekrecht te worden voldaan. De Ontvanger is van mening dat zijn beslag voor het beslag van de Rabobank gaat. De Ontvanger stelt artikel 3:277 lid 1 BW van toepassing is. Deze regeling bepaalt dat schuldeisers onderling een gelijke rangorde hebben (paritas creditorum). Dit betekent dat iedereen in principe een gelijk deel van de opbrengst krijgt, naar evenredigheid van de omvang van hun vordering. De wet maakt hierop een uitzondering als een schuldeiser een door de wet erkende reden van voorrang heeft. In casu is dat het hypotheekrecht van X volgens artikel 3:278 BW en vervolgens de preferentie van de ontvanger, artikel 21 Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990).

Op basis van dit eerste, primaire, standpunt bepleit de Ontvanger de volgende verdeling van de resterende executieopbrengst van € 174.396,61:

De Ontvanger stelt ten tweede, subsidiair, dat de restant executieopbrengst volgens een specifieke tweestapsmethode moet worden verdeeld. Hierbij vormt de vordering van de Rabobank ten tijde van de veiling (€ 114.710,33) het uitgangspunt voor "Stap 1". De hypotheekhouder X en de eerste beslaglegger, de Rabobank, redeneren hierbij vanuit de situatie dat de woning in onbezwaarde toestand is en claimen samen een exclusief recht op deze eerste pot geld, waarbij de Ontvanger volledig wordt uitgesloten bij stap 1. Binnen deze eerste stap wordt de € 114.710,33 intern verdeeld, waarbij € 69.745,34 naar de Rabobank gaat en € 44.964,99 naar X.

Hoe komt deze uitkomst tot stand?

De vordering van de Rabobank ad € 114.710,33 en de vordering van X 73.905,14 worden bij elkaar opgeteld en bedragen samen € 188.615,47. Vervolgens wordt het aandeel van ieders vordering over dit totaal berekend.

Aandeel Rabobank: € 114.710,33: € 188.615,47= 60,8170%

Aandeel Partij X: € 73.905,14: 188.615,47 = 39,1830%

Vervolgens worden deze percentages in Stap 1 omgeslagen naar de vordering van de Rabobank

Rabobank: 60,8170% van € 114.710,33 = € 69.745,34

Partij X: 39,1830% van € 114.710,33 = € 44.964,9

Nadat de vordering van de Rabobank als het ware is afgedekt, resteert van de totale restant executieopbrengst van € 174.396,61, een bedrag van (€ 174.396,6 - € 114.710,33 = ) € 59.686,28.

De verdeling van dit restant wordt als volgt berekend:

X heeft van haar totale vordering van € 73.929,14 in de eerste stap reeds € 44.964,99 toebedeeld gekregen. Zij ontvangt het resterende deel van haar vordering (€ 28.964,15) als eerste uit het restant. Omdat X een hypotheekrecht heeft krijgt zij het resterende deel van haar vordering.

Hetgeen daarna overblijft, wordt aan de Ontvanger toegewezen vanwege zijn fiscale preferentie, wat neerkomt op (€ 59.686,28 - € 28.964,15 =) € 30.722,13.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank acht één onderdeel van de kritiek op de traditionele verdelingssystematiek terecht. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen zinnige verklaring waarom een latere hypotheekhouder geheel wordt achtergesteld bij een eerdere beslaglegger, terwijl een latere beslaglegger (zonder dat na het eerste beslag een hypotheekrecht is gevestigd) op grond van artikel 505 lid 2 Rv niet is achtergesteld, maar volledig meedeelt in de opbrengst. Als diezelfde bank in plaats van het hypotheekrecht, ook beslag had gelegd dan zou hij wel volledig meedelen in de executie opbrengst op grond van artikel 505 lid 2 Rv. Nu een hypotheek is bedoeld als een zwaar en veilig zekerheidsrecht, acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat men met een hypotheekrecht slechter af kan zijn dan wanneer men als gewone schuldeiser achteraan sluit in de rij van beslagleggers. Indien de latere beslaglegger bovendien over een (hoger) bevoorrechte vordering zou beschikken, dient er volgens de rechtbank zelfs van te worden uitgegaan dat deze latere beslaglegger als eerste uit de executieopbrengst moet worden voldaan.

De rechtspraak van de Hoge Raad gaat in de heersende leer inderdaad uit van deze volledige achterstelling van de latere hypotheekhouder. Volgens de rechtbank schiet deze uitleg van artikel 505 lid 2 Rv tekort.

De visie van de Ontvanger schiet volgens de rechtbank eveneens tekort. De Ontvanger stelt dat bij de berekening van hetgeen de eerste beslaglegger toekomt geen rekening mag worden gehouden met de preferentie van de hypotheekhouder, maar wel met de preferenties van de andere beslagleggers en dat de opbrengst voor het overige tussen de schuldeisers moet worden verdeeld met inachtneming van alle preferenties.

Tegen een dergelijke verdeling brengt de rechtbank in dat de eerdere hypotheekhouder het vermogen van de debiteur waarop verhaal kan worden genomen voor de latere beslaglegger heeft verminderd door de bezwaring met een hypotheekrecht.

De rechtbank oordeelt dat de latere beslaglegger het recht van de eerdere hypotheekhouder tegen zich moet laten werken, tenzij de vordering van deze beslaglegger een hogere preferentie heeft. Dat is in het voorliggende geschil niet het geval: de vorderingen van de Ontvanger zijn immers lager gerangschikt dan de vordering van hypotheekhouder X

De rechtbank stelt de verdeling van de executieopbrengst dan ook vast overeenkomstig het stappenmodel.

Het juridische verschil

Bij een latere beslaglegging is sprake van een andere schuldeiser die gebruikmaakt van zijn wettelijke recht op verhaal zoals in artikel 3:277 BW is bepaald. Deze situatie is niet benoemd in het tweede lid van artikel 505 lid 2 Rv. De beslaglegger wordt niet beschermd tegen een opvolgende beslaglegger omdat bij deze rechtshandeling de schuldenaar niet betrokken is.

De vestiging van een later hypotheekrecht is een vrijwillige en actieve rechtshandeling van de eigenaar en de hypotheekhouder samen. De wet beschermt de eerste beslaglegger hier expliciet tegen. In artikel 505 lid 2 Rv staat dat zo’n latere hypotheek niet tegen de eerdere beslaglegger kan worden ingeroepen. De wetgever wil voorkomen dat een schuldenaar na de beslaglegging zelf zijn vermogen bezwaart en zo de verhaalsrechten van de eerste beslaglegger frustreert.[5] Ditzelfde is van toepassing bij vervreemding, de verkoop van de woning, dat ook een vrijwillige en actieve rechtshandeling is van de schuldenaar en de koper. Door de inschrijving van het beslag in het register zijn zowel de koper als de hypotheekhouder op de hoogte van de inschrijving van het beslag en kunnen daardoor ook een bewuste keuze maken om de hypotheek te vestigen.

Conclusie

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant doorbreekt met deze uitspraak de heersende verdelingssystematiek bij samenloop van beslagen en hypotheekrechten door een stappenmodel met ponds-ponds verdeling toe te passen. Dit vonnis, waarbij de latere hypotheekhouder (X) meer ontvangt dan de eerdere beslaglegger (Rabobank), doorkruist artikel 505 lid 2 Rv en verlegt de risico's van een kadastraal bekende voorrangssituatie, die voor het leggen van beslag en of vestigen van hypotheek is in te zien. De definitieve verdeling leidt tot een aanzienlijke toewijzing aan de hypotheekhouder, waarmee de rechtbank de wettelijke rangorde in de praktijk herdefinieert.

Het is de vraag of andere rechtbanken deze uitspraak zullen volgen. Als dat zo is, wordt de positie van de hypotheekhouder versterkt ten koste van die van de schuldeisers die beslag op een onroerende zaak leggen.

[1] ECLI:NL:RBZWB:2026:6163.

[2] Indien de akte betreffende de vervreemding of bezwaring vóór de inschrijving van het beslag reeds was verleden, kan de vervreemding of bezwaring nog tegen de beslaglegger worden ingeroepen, mits de inschrijving van deze akte uiterlijk geschiedt de eerste dag, waarop het kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers na de dag van de inschrijving van het beslag voor het publiek opengesteld is.

[3] Hoge Raad, 25 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9072.

[4] Zie ook de annotatie bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2026, Ius Novum 28 juli 2026 door John Wisseborn.

Meer van mr. M. Bernardt ga naar onze boekenwinkel.